contact
MyEtwie
In de kijker

"Meer onderzoek nodig voor industrieel erfgoed"

Gepubliceerd op 03/09/2014

De transformatie van industrieel erfgoed vereist dat er grondig onderzoek wordt gedaan naar de bouw- en gebruiksgeschiedenis en dat een kaart met alle waardevolle details wordt opgemaakt. Zoniet gaat te veel verloren bij herontwikkelingen. Dat concludeert de Nederlandse ingenieur Kees Geevers in zijn doctoraat, dat hij vorige week verdedigde aan de Technische Universiteit Delft.

Het Eindhovense industriecomplex Strijp-S van Philips vormde het hoofdonderwerp van Geevers’ onderzoek. Hier startte de elektronicafabrikant honderd jaar geleden zijn eerste gloeilampenfabriek. De inmiddels verlaten gebouwen krijgen nu nieuwe functies, maar daarbij blijft niet elk waardevol historisch detail behouden. "Zonder een duidelijke historische achtergrond is het lastig te zien voor een transformatiearchitect wat wel en niet moet worden behouden," zegt Geevers. "Van de gecompartimenteerdheid van Strijp-S is bijvoorbeeld weinig terug te vinden na de transformatie. Dat is jammer." Het herontwikkelingsontwerp voor het Philips-complex werd gemaakt vóór de studie naar de historische waarde van het ensemble van gebouwen. Dat zou structureel anders moeten, is een van de stellingen in zijn proefschrift 'Stedenbouwkundige Waardestelling van Industrieel Erfgoed'.

Strijp-S is een typisch voorbeeld van een geïntegreerd industrieel complex. Het had bijvoorbeeld een eigen glasfabriek, plaatwalserij en elektriciteitsopwekking en groeide uit tot een productielocatie voor talloze elektrische apparaten. Het was ook een zgn. 'company town', met eigen woningen, onderwijs- en sportvoorzieningen. Geevers bracht de geschiedenis van Strijp-S in beeld in samenhang met de architectonische en stedenbouwkundige verwezenlijking ervan. Die is, met zijn daglichtfabrieken, uniek voor Nederland: "De architectuur was even innovatief als de grondhouding van het bedrijf."

Elders in Europa zijn wel soortgelijke voorbeelden te vinden. Bijvoorbeeld in de Tsjechische stad Zlín, waar schoenenfabrikant Thomas Bat’a een complex met honderd daglichtfabrieken bouwde. Bij vergelijkend onderzoek tussen de twee grootschalige complexen ontdekte Geevers verregaande verwantschap. Niet alleen zijn beide door Amerikaanse voorbeelden geïnspireerd. Bat’a bouwde in de jaren 1920 ook een Nederlandse satelliet in Best vlakbij de Philips-vestiging. Beide ondernemersfamilies kenden elkaar. Dat is voor Geevers mede reden om aan te nemen dat ze elkaar hebben beïnvloed. Hij concludeert dat ook uit een architectuurhistorisch verband tussen Zlín en het door Tony Garnier in 1904 ontwikkelde plan voor een Cité Industrielle in Lyon. Bat’a kopieerde dat concept bijna letterlijk in zijn thuisbasis in Tsjechië. Elementen ervan zijn weer terug te vinden in Strijp-S.

Geevers gebruikte de referentiecasus Zlín voor een waardestelling voor Strijp-S en ontwikkeling van een waardekaart voor de stedenbouwkundig ontwerper. Hij beschrijft in zijn proefschrift ook nieuwe onderzoeksmethoden voor waardestelling van industrieel erfgoed.

Bron: TU Delft