Borstelambacht borgen, een meester-leerlingtraject vanuit Eperon d'Or
- verhaal
Veegborstels, schuurborstels, handvegers en schoenborstels, tandenborstels, carwahsborstels en zelfs kwispels: zeg niet zomaar borstel tegen een borstel. De toepassingen zijn oneindig, en voor elk type borstel heb je een specifieke vezel nodig. En verschillende vezels vragen natuurlijk ook om verschillende maakprocessen. Welkom in de wereld van Ludo Colpaert en Koen Vandommele, meester en leerling in het borstelmaken.
De setting: een meester-leerlingtraject in Eperon d’Or
Duurzame overdracht van kennis: dat is een van de kernopdrachten van een museum. In Eperon d'Or kon je tot voor kort nog terecht voor een unieke inkijk in de borstelnijverheid, een sector die de stad mee vorm gaf. Maar in september viel een figuurlijke bom: de stad besliste onverwacht om de werkingsmiddelen van het museum stop te zetten. Die beslissing treft niet alleen het museum en zijn publiek, maar ook initiatieven zoals het meester-leerlingtraject van Koen en Ludo.
Met de historische machines van het museum als setting, had hun traject een bijzondere insteek. De focus lag niet alleen op het aanleren van een stiel, maar ook op het versterken van de expertise rond de collectie van Eperon d'Or. Koen zou als gids uitgroeien tot ‘borstelspecialist', de machines leren doorgronden en die kennis delen met collega-gidsen en bezoekers. Of die ambitie nog gerealiseerd kan worden, is vandaag hoogst onzeker.
Van schoen naar borstel
Koen is al sinds 2006 actief als stadsgids. Als zoon en kleinzoon van een schoenstikster, een schoenmaker en een leestenmaker, lag zijn interesse initieel bij het schoenmaken. Maar in het museum raakte hij gefascineerd door iets anders: de wereld van de borstelmakerij en de indrukwekkende machines die erbij horen.
“Je staat er niet bij stil hoeveel kennis er achter een simpele borstel schuilgaat,” vertelt hij. Die verwondering vormde het startpunt van zijn leertraject. Naast een engagement bij de Vrienden van Stoom en Stroom en het gidsen van 'kerkhofwandelingen', maakte hij bewust tijd vrij om zich te verdiepen in de borstelmakerij. “Als je geen tijd maakt, heb je er altijd tekort,” vult meester Ludo Colpaert glimlachend aan.
Een meester met een netwerk
Ludo kent de sector als geen ander. Hij leidde jarenlang het familiebedrijf Colpaert, gespecialiseerd in verfborstels, en bouwde een uitgebreid netwerk uit binnen de borstelindustrie. Na zijn pensioen rolde hij het museum binnen, waar zijn expertise meer dan welkom was.
Zijn kennis reikt ver: van grondstoffen en productietechnieken tot de evolutie van de sector. “Vroeger maakte iedereen zogenaamd alles,” vertelt hij. “Maar in de praktijk had elke fabrikant zijn specialiteit, en werd er onderling veel uitgewisseld.” Dat leidde tot een hecht netwerk van producenten, ook in en rond Izegem.
Grondstoffen en technieken
Het traject begon bij de basis: de materialen. Vandaag zijn veel natuurlijke materialen al vervangen door synthetische varianten, maar grofweg bestaan borstels nog steeds uit twee categorieën. Enerzijds zijn er de grove borstels, die vroeger steeds met plantaardige vezels zoals kokos of tampico gemaakt werden en anderzijds de fijnere borstels - de kamervegers - uit varkenshaar.
Dat laatste materiaal heeft specifieke eigenschappen. “Een varkenshaar heeft een wortel en een pluim,” legt Ludo uit. “Die moet je correct inbrengen in de borstelmontuur, anders werkt de borstel niet zoals het hoort.” Het illustreert hoe technisch en precies het ambacht is.
Machines die spreken
Eenmaal ze een goed begrip hadden van de materialen, schakelde het duo over op de historische machines in de collectie. En die bleken meteen ook de grootste uitdaging.
Borstelmachines zijn complex en vragen inzicht: hoe stel je ze af, hoe herken je fouten, hoe grijp je in? “Het is niet gewoon een kwestie van op een knop duwen,” zegt Koen. “Je moet weten wat je doet, zeker als je ermee voor publiek werkt.”
De werking van die machines is tegelijk indrukwekkend en historisch beladen. Oude toestellen, zoals de zogenaamde ‘liggers’, dwongen arbeiders om lange dagen voorovergebogen te werken. Izegemnaars herkenden hun borstelmakende stadsgenoten dan ook aan hun gekromde rug. Later werden die machines vervangen door ‘zitters’, een ergonomische verbetering die het werk iets draaglijker maakte.
Het contrast met vandaag kan moeilijk groter zijn. Bij Boucherie, wereldwijd marktleider in produceren van borstelmachines, zagen Koen en Ludo hoe ver de sector geëvolueerd is. Machines produceren er honderden ‘tapkes’ – bundeltjes borstelharen – per minuut, met een graad van automatisering die nauwelijks bij te houden is met het blote oog. Kwaliteitscontrole gebeurt er grotendeels automatisch, en het volledige proces is afgestemd op maximale efficiëntie.
Toch blijft het bedrijf sterk lokaal verankerd. Voor het museum is het jarenlang een belangrijke partner gebleken, waar het team terechtkon met technische vragen of documentatie. “Een goeie leverancier-collega,” zoals Ludo het samenvat. Ook tijdens het traject konden Koen en Ludo rekenen op die openheid. De combinatie van hoogtechnologische productie en die bereidheid om kennis te delen, maakte indruk.
De snelheid waarmee vandaag borstels gemaakt worden, hoeven de historische machines gelukkig niet te halen. Voor een publiek moet het proces zichtbaar blijven, en is het net de bedoeling dat de machines langzaam draaien.
Kennis samenbrengen
Een belangrijke meerwaarde van het traject lag dus de samenwerking. Niet alleen een bedrijf als Boucherie, maar ook de voormalige gidsen, vrijwilligers, technici en externe partners brachten elk hun kennis in. Via contacten in de sector kregen Koen en Ludo toegang tot productieomgevingen, waar ze het hedendaagse borstelmaken van dichtbij konden zien.
Die kruisbestuiving werkte inspirerend. “Door die bezoeken viel alles in elkaar,” vertellen ze. “Je ziet de materialen, de machines en de toepassingen samenkomen.”
Het resultaat? Meer goesting bij gidsen om ook de machines een plek te geven in hun rondleidingen. Niet om alles tot in detail uit te leggen, maar om vragen van bezoekers beter te kunnen beantwoorden en het verhaal rijker te maken.
Een abrupt einde
Die opgebouwde dynamiek kreeg echter een abrupt einde. Met het wegvallen van de museumwerking viel ook de context voor het meester-leerlingtraject grotendeels weg.
De doelstelling – kennis inzetten in rondleidingen, demonstraties opzetten, collega’s enthousiasmeren – verliest zijn fundament als het museum niet langer toegankelijk is voor het publiek.
Voor Koen en Ludo blijft vooral onzekerheid over. Hun traject toont nochtans hoe waardevol het kan zijn om vakkennis, erfgoed en publiekswerking met elkaar te verbinden. Maar zonder plek om die kennis te delen, dreigt ook zij opnieuw te verdwijnen.