contact
MyEtwie

Zo gaat de molen, de molen, de molen...

Er zijn heel wat soorten molens. Naargelang de aandrijving onderscheiden we windmolens, watermolens, hondenmolens en rosmolens.

Windmolen

De eerste windmolen in Vlaanderen dateert van ongeveer 1180, als houten en draaibaar exemplaar. Eeuwenlang werd er op die manier graan gemalen, hout gezaagd, olie geperst, ijzer gesmeed. Maar er werden zo ook polders droog gehouden, lakens gevold kruiden gemalen en dergelijke. Windmolens waren een onmisbare schakel in de voedselvoorziening en ze zijn de eerste motoren van onze economie.

Een molenaar moet niet alleen graan kunnen malen, maar moet ook in staat zijn kleine onderhoudswerken te doen. Belangrijk in dit opzicht is bijvoorbeeld het scherpen van de molenstenen, dat heel moeilijk is en nog maar weinig mensen kunnen. Bij een windmolen regelt de molenaar de snelheid van de wieken door molenzeilen op de wieken te leggen in verschillende oppervlaktes volgens de windsterkte. Hij dient de molen recht in de wind te draaien (kruien) en veilig te stoppen (vangen).

Watermolen

De watermolen maakt gebruik van het stromen of vallen van water voor het omzetten van die kracht in rotatie-energie. Die energie kan gebruikt worden voor het malen van graan, het persen van olie, het smeden van ijzer, het zagen van hout, het vervaardigen van papier etc.

Door middel van een waterrad wordt de waterkracht gebruikt. De assen komen daardoor in beweging en drijven het binnenwerk van de molen aan. Het binnenwerk zet dan weer andere zaken in beweging naar gelang de activiteit van de molen: zaagwerk voor een zaagmolen, molenstenen voor het malen van graan... Er zijn verschillende types naargelang de positie van het rad in het water: onderslagmolens, bovenslagmolens, middenslagmolens.

Molens met dieren

Hondenmolens worden ook wel tredmolens genoemd. Deze kleinschalige molens werden aangedreven door honden die in het rad liepen om de molen te laten draaien. Ze werden door de boer en ambachtsman van weleer aangewend voor diverse doeleinden in het kader van de kleinschalige handnijverheden, zoals het maken van boter.

Rosmolens zijn molens die in beweging gezet worden door een paard of een ezel. Vaak stond er in het dorp een rosmolen, of soms hadden boerderijen hun eigen rosmolen. Ook hier kan de molen voor verschillende doeleinden ingezet worden: graan malen, uitpersen van zaden tot olie en karnen van boter etc.

Naargelang de functie zijn er ook heel wat verschillende molens. De bekendste is de graan- of korenmolen. Er zijn ook molens die papiermaken en molens die olie persen.

Papiermolen

In een papiermolen werd papier gemaakt uit textiel. Dit (hand)geschept papier is zeer waardevol en wordt vandaag nog gebruikt voor speciale gelegenheden zoals huwelijksuitnodigingen en geboortekaartjes. In het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem van 1654 kan je nog een papiermolen met al z’n componenten aan het werk zien:

  • Een tafel voor het scheuren van de lompen (oude kledij);

  • Een hamerbak voor het fijnstampen van de stukjes lompen tot draadjes: de stukjes worden zo fijn mogelijk geplet en gehakt;

  • Een maalbak of ‘hollander’ voor het verkrijgen van de vezels: in de kuip met water is een draaiende trommel met messen en een maalpraat aanwezig waarin de draadjes worden vermalen tot vezels;

  • Een waterbak voor het scheppen van de vezels door middel van een zeefraam: in de schepkuik wordt de vezelpap gegoten en dan met een raam met fijn gaas door de papierschepper opgeschept. Het water loopt weg en een laagje nat papier blijft achter;

  • Het natte vel komt op viltdoeken gelegd om later te kunnen persen en drogen;

  • Na het drogen moet het papier nog sterker gemaakt worden om erop te kunnen schrijven. Daartoe wordt het omgedompeld in een lijmketel die gevuld is met warm water, dierlijke lijm en aluin. Daarna wordt het weer gedroogd.

Voor het maken van wit papier was veel zuiver water nodig, er werden dus uitsluitend watermolens gebruikt.

Olieslagmolen

Olie(slag)molens kunnen zowel aangedreven worden door water, wind als door paarden.. Deze molens worden gebruikt voor het persen van olie uit oliehoudende zaden zoals raapzaad, koolzaad en lijnzaad. De eerste bewerking is het pletten of breken van het zaad met behulp van twee verticale stenen of lopers (2,5-5 ton). Die draaien rond op een platte steen. Dit werktuig wordt ook wel de kollergang genoemd. Het zaad waaruit men olie wil verkrijgen, wordt tot pulp geplet. Daarna wordt de pulp verwarmd op de vuurring. De derde stap bestaat eruit dat de verwarmde pulp in stampzakken wordt gedaan. Die stampzakken worden in enveloppen geplooid en in de slagbank gelegd. Het is dus tijd voor het persen en slaan van het zaad. Met de heibank en de wik wordt er druk gezet waardoor de olie er letterlijk uit wordt geslagen. De nokken van de windmolen tillen de heibanken en wikken op, zodat er hard kan worden geslagen.Tijdens de tweede persing wordt de pulp opnieuw geplet en wordt het opnieuw verwarmd. Daarna volgt opnieuw het slaan en het persen van de pulp in de stampzakken. De olie wordt onderaan de slagbank opgevangen. De resten worden gebruikt als oliekoeken voor veevoeders, of lijnolie wordt gebruikt in verven o.a. Ook andere oliën worden gebruikt. De ambachtsman/molenaar op een olieslagmolen wordt een olieslager genoemd. De productie van olie vermindert door opkomst van andere producten zoals petroleum en levertraan.

Molenaar Benoït Delaere van de Oostmolen in Gistel toont in dit filmpje hoe het proces van het persen van zaad tot olie verloopt.